Doornroosje

Doornroosje is een sprookje dat voor het eerst gepubliceerd in Italië door Giambattista Basile in 1634 met de titel Sole, Luna e Talia. Dat origineel zullen de meeste mensen niet kennen; veel bekender is de versie van de Franse schrijver Charles Perrault, onder de titel La Belle au bois dormant (voor het eerst gepubliceerd in 1667 als een van de verhaaltjes in De sprookjes van Moeder de Gans).

Later is het ook opgetekend door de gebroeders Grimm in hun Kinder- und Hausmärchen

Hieronder vindt u de versie van de gebroeders Grimm:

Een koning en koningin verlangen al heel lang naar een kindje, maar dit gebeurt maar niet. Als de koningin zich baadt, kruipt er een kikker uit het water en zegt: als het jaar voorbij is, zul je een dochter ter wereld brengen. Inderdaad bevalt de koningin na een jaar van een meisje en de koning organiseert een groot feest. Behalve familie, vrienden en kennissen nodigt hij ook de wijze vrouwen uit, zodat zij het kind een goed hart zouden toedragen.

Er zijn dertien wijze vrouwen in het rijk, maar de koning heeft slechts twaalf gouden borden en hij besluit daarom één vrouw niet uit te nodigen. Na het feest schenken de wijze vrouwen het kind wondergaven, zoals deugd, schoonheid en rijkdom. Elf wijze vrouwen hebben hun wondergave al gegeven, maar dan komt plots de dertiende binnen. Ze is boos omdat ze niet is uitgenodigd, en neemt wraak. Ze voorspelt dat de koningsdochter zich zal prikken aan een spintol als ze vijftien is, en dit niet zal overleven.

De twaalfde kan de vervloeking niet opheffen, maar kan deze wel verzachten. De prinses zal niet sterven, maar honderd jaar slapen. De koning laat alle spintollen in het hele koninkrijk verbranden, terwijl de goede wensen van de wijze vrouwen uitkomen. Het meisje is mooi, ingetogen, vriendelijk en verstandig en iedereen houdt van haar. Als ze vijftien wordt, zijn haar ouders niet thuis. Ze loopt door het kasteel en klimt in de oude toren. In de torenkamer ziet ze een oude vrouw met een spintol die vlas zit te spinnen.

De prinses weet niet wat een spintol is, en als ze hem wil pakken prikt ze zich. Ze valt op een bed en komt in een diepe slaap. Iedereen in het kasteel heeft hetzelfde lot, ook de paarden in de stal, de duiven op het dak en de vliegen aan de muur. Zelfs het vuur beweegt niet meer in de haard en het vlees houdt op met pruttelen. De kok, die net het koksmaatje een klap wilde geven, de hofhouding en de koning en koningin vallen in slaap als de wind gaat liggen. Rond het kasteel gaat een doornhaag groeien en op een gegeven moment is het kasteel niet langer te zien, zelfs de vlag op het dak is verborgen.

In het land ontstaat een gerucht over de mooie slapende Doornroosje en vele koningszonen proberen door de haag te dringen. Dit lukt hen niet, want ze komen vast te zitten in de stekels, en ze sterven stuk voor stuk. Op een dag komt een koningszoon die al van zijn grootvader hoorde over Doornroosje. Hij weet dat velen stierven, maar wil toch een poging wagen. De honderd jaren zijn verstreken en als de jongen bij de doornhaag komt, ziet hij enkel mooie bloemen. De bloemen wijken uiteen als hij loopt en sluiten zich weer achter hem.

De koningszoon ziet iedereen in diepe slaap in het kasteel en komt bij de toren. Hij ziet Doornroosje op het bed in de torenkamer en kust haar omdat ze zo mooi is. Als zijn lippen haar raken, ontwaakt ze en kijkt hem vriendelijk aan. Ieder mens en dier in het kasteel ontwaakt als ze samen de trap afdalen, ze gaan door met wat ze honderd jaar geleden deden.

Het paar trouwt en het huwelijk wordt groots gevierd, ze leven vrolijk en blij tot het eind van hun leven.